Het zuidwesten en de mijnen
Een eeuw lood en zink, en nu een geomijnbouwpark aan zee.
Het Iglesiente en de Sulcis, in de zuidwesthoek, zijn een eeuw lang het belangrijkste mijnbouwgebied van Italië geweest: lood, zink, zilver en steenkool, met tienduizenden mensen onder de grond. De mijnen sloten bijna allemaal tussen de jaren zeventig en negentig, en wat overbleef is een geomijnbouwpark geworden.
Porto Flavia, in 1924 in de klif van Masua uitgehakt, is het indrukwekkendst: twee boven elkaar liggende galerijen van zeshonderd meter die het erts rechtstreeks in de ruimen van de schepen brachten, met een band die loodrecht boven zee naar buiten kwam. Het is met gids te bezoeken, en ervoor staat de rots Pan di Zucchero, honderddrieëndertig meter hoog.
De Costa Verde
Noordelijker, tussen Arbus en Piscinas, is de kust vrijwel onbewoond: duinen tot zestig meter hoog, de hoogste van Europa, met jeneverbessen erop en Sardijnse herten die er doorheen trekken. Je komt er over een onverharde weg, en er is niets dan het strand.
Voor de kust liggen twee bewoonde eilanden: Sant'Antioco, met een Romeinse landengte aan het vasteland verbonden, en San Pietro, waar men in Carloforte een Ligurisch dialect spreekt, in de achttiende eeuw meegebracht door een kolonie uit Tabarka. Campings zijn hier weinig talrijk en liggen rond Sant'Antioco en aan de kust in het noorden.